Header image header image 2  
magazine van à côté de Carré
  || HOME ||
   
 
"Archetypische beelden in Adam

De schepper van Adam

 

 

 

 

 

Regisseur, librettist, decorontwerper, zanger en wat al niet meer; men kan met recht zeggen dat Aad de geestelijk vader is van de nieuwste produktie van à Côté de Carré. In een interview met Pieter Renault, de bekende intendant van DAO (De Amsterdamse Opera) wordt duidelijk wat deze creatieve duizendpoot bezielt.
Je nieuwste produktie Adam gaat februari 2010 in première. Vanwaar die naam?
De naam Adam roept vele verschillende associaties op, die alle min of meer van toepassing zijn op het onderwerp van deze opera en de wijze waarop dat onderwerp in deze produktie wordt uitgewerkt. Het lijkt me eigenlijk het beste dat eenieder voor zichzelf bekijkt welke archetypische beelden de naam Adam bij hem of haar oproept. Het ervaren van opera, trouwens van welke kunstvorm dan ook, is uiteindelijk een individueel gebeuren. Teveel interpretatie op voorhand kan nooit recht doen aan die beleving.
Grappig dat je over een individueel gebeuren spreekt. De thematiek van de opera, de effecten van jouw eigen verhuizing naar Amsterdam, is een zeer persoonlijke ervaring van jezelf. Hoe zorg je ervoor dat zo’n alledaagse, individuele ervaring tot de verbeelding van anderen, het grote publiek, kan spreken?
Kunst is het zoeken van het universele in het persoonlijke en vice versa. Deze zoektocht, die geen einde kent, leidt in niet aflatende herhaling tot de confrontatie met de condition humaine in alle facetten van het menselijk bestaan. Ik zeg met nadruk: in àlle facetten; juist in de alledaagsheid vind ik de wortels en de kern van de verhalen van het menselijk leven terug. Men ziet al teveel kunstenaars die alleen de grote gebeurtenissen en emoties verbeelden; zeker in de opera is dit bij uitstek het geval. Ook ik neigde eerst die kant op, maar geleidelijk aan kwam ik tot de conclusie dat op deze wijze holheid en leegte op de loer liggen. Mede op instigatie van een goede vriend (Ronald Kooij (red.)) ben ik gaan herkennen dat ware diepgang zich juist op het zogenaamd oppervlakkige niveau van het alledaagse manifesteert. In Adam geef ik het publiek de kans om via eenvoudige gedeelde ervaringen de thematiek van lijden en verlossing te herkennen. Overigens zonder te vervallen in de platte gemeenschappelijkheid waarmee de massacultuur ons  verveelt.
Toch zullen er mensen zijn die zeggen dat je hier de grens met narcisme hebt overschreden. Ik hoor het woord navelstaarderij al vallen...
Ach, als je zoals ik je geheel eigen weg gaat, heb je de illusie van het door iedereen begrepen kunnen worden allang achter je gelaten. Narcissus, de schone jongeling uit het oude Griekenland (niet te verwarren met Aadonis trouwens) was dusdanig gefascineerd door zijn eigen weerspiegeling dat hij de wereld om zich heen vergat. Ik daarentegen zie juist in mijn reflectie de wereld in al zijn volheid. “Wie zich zelf kent kent het al” zei Gautama de Boeddha reeds. Of het nu uit puur toeval ontstaan is of toch uit een of ander predestinatieproces, ik ben één van diegenen die begiftigd zijn met de kracht van het schouwen en ik ben het aan de wereld om mij heen verplicht om mijn bescheiden steentje bij te dragen aan de ontwikkeling van het menselijk zijnsbesef. Bedenk wel dat de navel de bron van ons bestaan is.
Opvallend aan dit nieuwe werk is de ambitieuze vorm: 3 aktes die elk een geheel andere basisemotie tonen. Daarbij is er gedurende de gehele opera de spanning tussen de gelaagdheid van het getoonde. In de regie zullen er moeilijke keuzes gemaakt moeten zijn om het abstracte en het concrete tegelijkertijd te kunnen vormgeven. Ik geloof dat jouw regie, meer dan slechts een invulling, een nieuwe dimensie aan het libretto en de muziek geeft. Kan je iets uitweiden over de consequenties die jouw visie met zich meebrengt?
Ik werk met contrast en vernieuwing. De creatie van een nieuwe dimensie door de interpretatie van de regie is voor mij ab-so-luut cruciaal. Vaak zie je regies waarin men geen raad weet met de muziek: de bewegingen van de zangers beelden gewoon de muziek en de zangtekst uit. Maar dat is overbodig. De muziek heeft het innerlijke drama van een opera en de karakterschets van de personages al in haar zitten.“Niet acteren!” zeg ik daarom tegen mijn zangers. “Denk! Voel! Druk iets uit! Als jij dit of dat denkt of in je hart hebt, terwijl je een klank vormt, dan denkt of voelt jouw publiek dat ook!” In plaats van domweg het verhaal dubbel te vertellen, interesseert het me meer om in de regie de muziek als het ware voor te zijn: een muzikale impuls komt voort uit een gedachte, die op haar beurt begon bij het zieleleven van een personage. Zo voel je telkens de muzikale motivering van de scenische handeling. Ik ben niet geïnteresseerd in het maken van statements. Ik zoek niet naar het effect maar naar de algemene geldigheid; ik noem dat ‘tot de kern van het stuk doordringen’, waarbij ik zover en zoveel abstraheer tot ‘slechts’ nog de mensen met al hun gevoelens overblijven om het publiek iets te vertellen. Wat wij tegenwoordig nog vaak als opera gepresenteerd krijgen, is enkel het cliché van een gevoel. Mij gaat het daarentegen om de waarheid.
Je gedrevenheid is reeds wijd en zijd bekend. Met vaak onnavolgbare resultaten. Zoals in al jouw produkties is ook hier weer de samenwerking met de componiste, arrangeur en dirigente Sadhu van groot belang geweest?
Vanzelfsprekend. Ik beschouw Sadhu als mijn muze. Bovendien zorgt zij voor de broodnodige balans tussen het mannelijke en het vrouwelijke in het werk. Wij hanteren een stijl die geen imitatie is van die van iemand anders en waarin het muzikale volop kan resoneren. Onze aanpak doet de muziek spreken. Voor Adam hebben we in een proces van een jaar gezamenlijk onderzocht hoe we in de voorstelling schakelen van Mozart naar Glass, naar meubels en mensen op het toneel. Elk element heeft invloed op het andere. Het visuele idee beïnvloedde de muziek en vice versa. Dit is een zeldzaam en zeer bijzonder proces voor opera omdat normaliter de duur van de opera bij voorbaat vastligt. We begonnen bij het publiek in plaats van daar te eindigen. Ik vertrek altijd vanuit de vraag: “wat wil ik dat de toeschouwer ervaart?” Vervolgens ga ik bouwen, proberen, schaven en weglaten; terug naar de essentie, het persoonlijke. Ik wil in het theater zelf zo graag geraakt worden en me betrokken voelen. Ik heb heel veel moeite met voorstellingen die mij buitensluiten, waarbij het er niet toe doet dat ik er zit. Wij zijn met z’n allen samen in het theater, zoals we allemaal samen in de wereld zijn en er het mooiste van moeten maken. Die verbinding wil ik laten voelen, met de nadruk op wat ons bindt en minder op wat ons onderscheidt.’